In de Navorscher, jaargang 1901 verscheen het volgende artikel van C.W. Bruinvis
Het Biografisch Woordenboek van v. d. AA. v. Harderwijk en Schotel wijdt een tamelijk uitvoerig artikel aan Everard van Someren, wiens optreden als proponent te Rotterdam in 1674 heel wat beweging veroorzaakte. Aan het slot van dit artikel wordt gezegd, dat hij den 21 November 1675 als student in de medicijnen te Leiden werd ingeschreven en aldaar waarschijnlijk den 14 Mei 1678 is overleden. Ook bij Sepp, Geschiedkundige Nasporingen, 11 186, lezen wij: "Zoo ik meen, is hij 14 Mei 1678 overleden", en zich beroepende op de mededeeling van Jhr. Rammelman Elzevier, dat volgens de doopboeken toen een dr. E. van Someren gestorven is, voegt de schrijver hierbij: "Daar een Med. Dr. E. van Someren later niet bekend is geworden, waag ik de gissing, dat met den naam op het Doodboek de student Everard is bedoeld."
Die gissing lag waarlijk voor de hand, maar niettemin acht ik aannemelijker deze, dat de doctor en de student verwante naamgenooten waren, en dat de laatste in de jaren 1682-1707 eerst als conrector, daarna als rector der latijnsche scholen te Alkmaar heeft geleefd. De vroedschap dezer stad benoemde hem (in de resolutiën dominus en te Rotterdam woonachtig genoemd) den 4 April 1682 tot conrector, op het oude tractement van f 500 en f 150 voor huishuur, aan burgemeesteren overlatende met hem te accordeeren aangaande het buitengewoon salaris van f 100, den 2 Maart 1671 aan Mr. Jacobus Zurendoncq toegekend. Hij heeft zich daarop niet laten afdingen, maar het, blijkens de thesauriers-rekeningen, ten volle genoten.
In 1683 huwde hij met Hendrikje de Visscher, jonge dochter van en te Rotterdam; in de aanteekening zijner ondertrouw, op den 4 Maart, wordt hij med. doctor geheeten. Toen de vroedschap den 25 April 1693 den rector Vesalius Mobachius, die voor zijn verzwakt gestel te Groningen beterschap dacht te vinden, het verzocht ontslag verleende, besloot zij voor de openvallende plaats regard te slaan op van Someren, indien zich geen bekwamer sollicitanten opdeden, De keuze viel den 10 Juni evenwel op Monqueris, rector te Leeuwarden, mits deze een aannemelijken kostprijs voor leerlingen zou opgeven. De benoemde besloot echter te Leeuwarden te blijven, waar hij medecurator was en geene kostleerlingen behoefde te houden. Nadat nog Bernarus Zijtma, rector te Zaltbommel, zijn dienst had aangeboden, ging men den 18 Juli tot eene nieuwe benoeming over en werd van Someren verkozen. De conditiën, den 21 met hem getroffen, waren de volgende: hij zou niets vorderen voor de tijdelijke waarneming van het rectoraat, tot een redelijken prijs convictores aannemen, nevens vrije woning genieten f 600 voor gewoon en f 250 voor buitengewoon salaris (alzoo te zamen f 850, d. i. f 50 minder dan zijn voorganger), integaan met St. Jacob; zich geheel aan het rectoraat wijden en de visites als med. doctor menageeren ten uiterste tot de vrienden, en waar hij zich, behoudens eer en noodzakelijkheid, niet zou kunnen dispenseeren. Zijn mededinger Zijtsma liet zich in de volgende maand winnen voor het conrectoraat.
In 1694 hertrouwde hij (ondertrouw 26 September) met Geertruida van Schijndelen, weduwe te Rotterdam. Zij bezat daar 2 huizen, het een op den hoek van Lombardstraat en Meent, het andere aan de westzijde van de Delftsche Vaart, en overleed aldaar, op reis zijnde, onverwacht in 1704, denkelijk in November. De beide huwelijken van van Someren zijn kinderloos gebleven, althans de alkmaarsche doopboeken der hervormde gemeente noemen hem niet. Onder zijn rectoraat telden de 5 klassen der school in het najaar van 1693 65, in '94 gemiddeld 57, in '95 45 1/2, in '96 48, in '97 41 1/2, in '98 40 1/2, in '99 44, in 1700 43, in 1701 42, in 1702 40, in 1703 30 1/2, in 1704 28 1/2, in 1705 32, in 1706 37 1/2, en in het voorjaar van 1707 43 leerlingen. De daling van het aantal in den aanvang was misschien te wijten aan het volgen van Mobachius naar Groningen door eenige kostleerlingen. Van bloei der school getuigen de medegedeelde cijfers niet, en in 1708 werd dan ook door de vroedschap besloten, het aantal docenten van 5 op 4 terug te brengen. Maar van Someren was toen reeds niet meer aan deze instelling verbonden. De vroedschap had hem den 11 Mei 1707 het door hem ter burgemeesterskamer verzocht ontslag verleend. Wat den man - de student van 1664 en 1675 kon toen 62 of 63 jaren tellen - bewogen heeft tot zijne aanvraag, is mij niet bekend; van bijzondere gevoelens in het godsdienstige vind ik hier niets aangeteekend. 't Kan zijn, dat hij van de theologie afscheid heeft genomen - en hij had er alle reden voor - toen hij zich tot de studie der medicijnen begaf. Of en waar van Someren na het verlaten zijner betrekking te Alkmaar nog een rol gespeeld heeft, is mij niet gebleken. Neemt men nu in aanmerking, dat de proponent en med. student van Someren van het Biogr. Woordenboek te Rotterdam in schooldienst is geweest, dat onze alkmaarsche rector "dominus" en med. doctor was, van Rotterdam herwaarts kwam en zijne beide vrouwen aldaar heeft gevonden, dan zal men de gissing niet gewaagd achten, dat beiden dezelfde persoon waren.
door C.W. Bruinvis
De Navorscher - Jaargang 1901 - pg.561 e.v
Naschrift:
In deel LI. bl. 563 heb ik gezegd niet te weten of deze na het verlaten van zijn rectoraat in 1707 te Alkmaar nog een rol gespeeld heeft. Sedert bleek mij, dat hij tegen het jaar 1710 tot kerkmeester benoemd en in hetzelfde jaar overleden is, zijnde den 26 November begraven in het noorderkruis der Groote kerk, nr. zz, in 1694 door hem gekocht na het overlijden zijner eerste vrouw Hendrikje de Visser, die daarin den 18 Januari was te ruste gelegd. Eene Catharina van Someren werd den 28 Februari 1715, maar in een ander graf, begraven.
door C.W. Bruinvis
De Navorscher - Jaargang 1906 - pg.643
Volgens een artikel in de Navorscher - Jaargang 1929 - pg.51 "Wandborden in de Groote Kerk te Alkmaar" door Mr. J. Belonje zou er in 1710 een Wandbord van Everard van Someren in de Groote Kerk van Alkmaar zijn geplaatst.